Feeds:
Berichten
Reacties

Exactly one year ago, I was on some beach in Nelson, New-Zealand, trying to hit my dad right in the face with an original All Blacks rugby ball. And although I never quite pulled it off – the man has excellent dodging skills – I felt somewhat at ease, and he did too. I can recall quite vividly that at that moment,  carelessly playing at this sandy beach with my father, we both realized it was time for a change, time to let go of the year that passed.

It had been a year that left our minds preoccupied, almost in constant turmoil. In war with ourselves, we wondered where the Kiwi winds and waters would take our lost souls, hoping it would be some place far away. We planted our feet in the wet sand, sat down and stared right into the burning sun. At that point, words were redundant, as we both knew right then and there that the year to come would be one where we would both find ourselves, yet again.

‘Yet again’ I say, as if not even a long time before this father-daughter moment of epiphany, there was another occasion that shaped us into the two soldiers of light we are now. And indeed, six months before New-Zealand, my dad and I were sitting on some other beach, in some other hemisphere of the world. The sun had set over Hamburg, Germany, and we felt as if in some way, the sun had coincidently left our hearts.

I remember us just sitting there, staring at the boats sailing the sea, not saying anything. Hours passed. The sand got cold, as did our feet. But we remained seated, wishing some boat would scoop us up and take us to some Promised Land, where our family was still one, where our hearts were still lit with sunshine.

Between then and now, we have had many similar moments. On beaches, in bars, or just strolling through cities. It is through these shared times of clear and utter sadness – or happiness, watching suns set and rise, that we have created something far stronger than all forces of nature combined. We have found that, by sharing our silence, we were sharing ourselves.

May this be a year where we won’t need yet another ocean to wash away our worries, but instead drown us in the sands of love.

To my dad,
whom I love more, every day.

Elisah Vandaele 31/12/2010

Een halfjaar geleden zat ik nog vakkundig mijn adem in te houden op bus 15. Bij de bewoners van Århus gekend als de Garlic Express. Dit door de aanwezigheid van ettelijke Noord-Afrikanen inclusief plastic zak met niet op temperatuur gehouden uitheemse inkopen. No offence, maar dat gele gevaarte rook je al van voor die de hoek omkwam. Bus 15 reed de Route des Verderfs – of zo nam ik het toch graag in de mond – van het prachtige Banegård (het stationsplein, voor de niet- polyglotten onder ons) naar het verloederde Brabrand: het Molenbeek van Denemarken, quoi. Een buitenwijk waar geweld, vandalisme en corruptie hoogtij vierden.

Ik woonde toevallig in deze sjofele suburb, zowat de enige Deense locatie waar je huisvesting kon vinden zonder je maandloon opgeslorpt te zien aan huurgeld. Dan resideerde ik wel goedkoop, ik werd er wel elke dag het slachtoffer van verwarde allochtone jongeren die er geen graten in zagen om keien, bakstenen en ander gevaarlijk tuig richting de hoofden van blanke vrouwen te gooien. Ik ben toevallig een blanke vrouw, en heb aan menige Brabrandse bushalte menige baksteen bekwaam ontweken.

Vandaag bevond ik me in een Belgische variant van de Deense stinkbus, nummer 65 deze keer. Beeld u in: Brussel, spitsuur, Elisah stapt na 8 uur computerstaren op een overvolle bus en neemt genoegen met een plaatsje waarop net geen kauwgum of urinestaal werd uitgesmeerd. Het verkeer in de Belgische hoofdstad is sowieso al een serieuze pain in the ass, maar ik vraag me toch steevast af waarom elke bezwete, ongewassen en luid ademende vijftiger zo nodig altijd naast me moet neerploffen? De gelijkenis met de irritatie die ik tijdens mijn dagelijkse busrit door Brabrand voelde was treffend: ik hield vakkundig mijn adem in, gooide mijn atheïstische overtuiging voor één keer over boord, richtte het hoofd richting hemel en sprak tot God, of whoever op dat moment mijn klaagzang wilde aanhoren. Ik heb gebeden van Evere tot Schaarbeek, tot ik op het Madouplein eindelijk terug normaal kon ademhalen.

Dat ik mijn hoofdstad elke dag meer zie verloederen is één ding. Dat ik elke keer ik mijn woonst verlaat getuige ben van op z’n minst één  wetsovertreding is nog iets anders. Maar dat ik mijn dagelijkse busrit telkens met een schrijnende tegenzin moet starten werkt nog meer op mijn systeem dan de wachtrijen in de Delhaize op de Anspachlaan. Ik dacht, ik schaf me een stadsfiets aan, dat past best bij mijn Dansaert-Vlaming-zijn. Maar fietsen in Brussel is geen optie, dat is spelen met vuur. Voor je het weet word je –inclusief stadsfiets– verpletterd door een geel robuust gevaarte, waarin een buschauffeur in een poging tot het negeren van de penetrante zweet-en urinegeur de controle over het stuur verliest.

Brussel, Brabrand: de alliteratie der irritatie.

Elisah Vandaele

Lost in translation

Na probleemloos de weg naar Århus te hebben gevonden, heb ik er al even probleemloos afstand van genomen. Voorlopig heeft de stad me nog niet nodig. De journalisthøjskolen is al even gesloten als de gemiddelde Deen en ook mijn eigenste woonst in Centraal Jutland, Brabrand ligt er – afgezien van het gezelschap van mijn Bulgaars-sprekende buurman en mijn nietbestaande internetverbinding voorlopig nog verlaten bij. .

U kunt me tegenwoordig treffen in de Deense hoofdstad København, waar ik me al een weekje undercover bezighoud met allerhande geheime operaties. U begrijpt dat ik hierover niets kan lossen, dus voorzie ik de drie man inclusief paardenkop die effectief – en om God weet welke reden – de moeite doet dit stukje schrijven tot zich te nemen van andere Deense onzin. Skål ¡

For starters is de Belgische rotgroep Vive La Fete hier al even gegeerd als remoulade, het verschrikkelijk smakende goedje dat elke Deen wel ergens in z´n koelkast schuil houdt. Daar worden wij, melomanen die al eens graag een muziekje streamen op z´n minst een beetje ongemakkelijk van. De enige Belgische genialiteit die hier wel volledig tot zijn recht komt is uiteraard de Belgische pils – al hoeft U daar toch wel erg diep voor in de portefeuille tasten. Alsook negeert U best de schrijnende taptechniek die het gros van de Scandinavische barmannen blijkt toe te passen. Het gaat er ongeveer als volgt aan toe: U neme een bierglas, U zette het glas met een overtuigend norse blik onder de tapkraan, U wachtte apathisch tot het bier zich in het glas heeft gemanifesteerd en U smijtte al even apathisch de tapkraan toe. Geen gevoel, geen afschuimen, geen glimlach. Neen, U bent in Denemarken, het land waar men er klaarblijkelijk vooral geen zin in heeft.

Nadat Uw verontwaardiging samen met Uw inschattingsvermogen is verdronken bent U klaar voor Christiania – it is not a myth. De commune hippies in hartje København is nog steeds bestaande, alsook Pusher Street. U leest het, de Straat der Verderf voor vele rechtsgezinde Denen en de Straat van de Hemelse Vrede voor vele anderen – waar ik mezelf zonder enige schroom en twijfel met graagte bij kan rekenen. Pusher Street loopt recht door Christiania, en herbergt naast hele hordes benevelde Groenlanders ook hele hordes hippies met softdrugs. U kan er zonder problemen een jaarvoorraad marihuana aanschaffen en die – naar eigen wens – ook meteen nuttigen op de vele geïmproviseerde bankjes op het terrein. Ondertussen gaan de hippiekinderen naar het hippieschooltje en gaat alles zijn eigen hippiegangetje. Christiania is een aanrader, en slaat zelfs Hollandse coffeeshopuitbaters met verstomming. Wel asjemenou.

De Deense vrouwen die ik al uitvoerig beschreef in mijn eerste column København Kong zijn er ook nog steeds. Deze tijd van het jaar zijn de poppetjes mooi verpakt in kleurrijke regenjasjes en verscholen onder hippe parapluutjes met motief. Hun wangetjes zijn rood van de noorderwind en de koude regendruppels, wat hen deze tijd van het jaar nog mooier maakt. De Deense mannen daarentegen zeggen het liefst ´neen´tegen de paraplu, en fietsen als gekken onbeschermd tegen weer en wind door de stad. Bij deze ben ik volledig bereid om mij over natgeregende mannen te ontfermen, en hen te voorzien van de nodige kopjes koffie. Voorlopig nog geen succes, maar ik voorzie een positieve evolutie. De Deense vrouwen mogen dan nog bloedmooi zijn, … ik heb tenminste een waterkoker.

Goed, København is er dus nog steeds. Het is hier nog steeds proper, en de mensen spreken hier nog steeds Deens.
Volgende week begint mijn echte Deense leven, ver verwijderd van metropool København, in Århus. We zien wel wat het geeft, I am stuck here anyway.

Elisah Vandaele

In Duitsland, het land van de braadworst, de schnitzel en de bierglazen met de ridiculeuze proporties van visbokalen betrap ik mezelf er meermaals op innerlijke gesprekken te voeren. In stilte, in mijn hoofd, alsof ik in gedachten de conversatie aanga met een gelijkgestemde ziel. Verzonken in mijn innerlijke dialoog plofte ik deze namiddag neer op een bankje op Alma Wartenberg Platz in Altona, Hamburg.

Mijn ietwat belabberde uiterlijk verraadde al snel een kater, een kater die op zich het product was van het nuttigen van een exuberant aantal glazen rode wijn gisterenavond. In een exotische (lees: onverstaanbare) mix van Turks en Duits vroeg een ober me met wat hij mijn duidelijk zienbare dorst kon lessen. ‘koffie’ besloot ik, ‘zo haal ik op zijn minst het einde van de dag nog’. Ik geeuwde uitbundig en ongegeneerd zonder hand voor mijn mond, en vroeg een vuurtje aan een man met baard die met zijn rug naar me heen zat.

De grijsaard draaide zich om en bij het aanschouwen van zijn gelaat in de felheid van de zon vroeg ik me af of ik wel al zindelijk was als die man voor het laatst zijn tanden had gepoetst. Hij brabbelde iets in het Duits tegen me. Ik deed maar alsof ik er iets van begreep en knikte.  Ik knikte, terwijl mijn neus geen andere keuze had dan de de penetrante zweetgeur die de man produceerde op te snuiven. Bijna volledig vervuld van walging probeerde ik toch de belangrijkste wetten van de degelijkheid te respecteren door niet onmiddellijk ostentatief van zitplaats te veranderen. De man was immers zo vriendelijk geweest mij te voorzien van een vuurtje, en hanteerde zijn aansteker ook met een glimlach. Een glimlach die tot mijn groot misnoegen nogmaals zijn gebrekkige tandhygiëne tentoonstelde. Tough break dacht ik, en ik probeerde door mijn mond te ademen.

De barman bracht me mijn koffie. Goede koffie hadden ze niet, dus nam ik dankbaar doch lichtjes jammerlijk genoegen met het goedje dat zij oploskoffie noemen. Al nippend van het gitzwarte water keek ik nauwlettend als een soort ramptoerist toe hoe een meisje geïrriteerd zuchtte en haar schouders ophaalde nadat ze werd getrakteerd op een stevige en onverwachte kneep in de kont – overigens door dezelfde geurbal wiens walgelijke lijfgeur nog steeds in mijn neus bleek te hangen. Van zodra het besef kwam – en dat kwam redelijk snel – dat ik me schuldig maakte aan uitvoerig gegaap staakte ik mijn actie en keerde ik mijn blik.

Ik ontdekte dat de koffie zelfs met suiker niet te zuipen was en net op het mijn moment van frustratie kwam de ober me vragen of alles in orde was. Ik zette een gezicht op dat te verstaan moest geven dat ik het hele goedje liever meteen door het raam wilde gooien dan het verder tot mij te nemen. De boodschap kwam over, en ik kreeg een stuk chocoladetaart.

Tijd om verder te gaan dacht ik, en ik schraapte mijn laatste krachten samen – alsook de chocolade van mijn mondhoeken. Mijn geknelde kleine teen in mijn linkerschoen bemoeilijkte mijn opstaan maar ik keek reikhalzend uit naar meer Hamburg, als een obese kleuter bij de snoepkast. Mijn wil om te ontdekken resteert nog uit ver vervlogen pubertijden, toen ik als 14-jarige snotneus al voelde dat ik weg moest. Ver weg van de kleinburgerlijkheid van mijn omgeving, ver weg van de sleur van de routine. Ik snoof een allerlaatste keer de zweetgeur van mijn buurman op en ik vertrok in de duisternis, als willoze volgeling van mijn eigen reislust. Nog steeds verzonken in gedachten, nog steeds instemmend met mijn eigenste fantasie.

Elisah Vandaele

S.O.S Blog!

Het is tien uur. De wind waait uit het Noordnoordwesten. De kapitein staat al uren stilzwijgend op de brug naar de horizon te staren, met een zeemansblik die zich laat vertalen in een verscholen doch luidkeels smekende drang naar nog maar een glas single malt. Iedereen in dit beroep weet waarover ik het heb. Niettemin, volgens mij is er wel erg veel alcohol nodig om deze kapitein tot betere inzichten te drijven, we bevaren immers geen tanker. What shall we do with the drunken sailor? We zien wel waar we uitkomen, maar ik zit hier ondertussen wel bevangen op dit godvergeten schip. Logboek Matroos X

Deze introducerende boutade kon een voorbeeld zijn van de ouderwetse log- en dagboeken uit ver vervlogen, internetloze en ongetwijfeld romantische tijden. Tijden waar zeelui, reizigers en kloosternonnen allerhande, bij kaarslicht hun gedachten neerpenden in moleskines. Hun logboeken zijn jammerlijk verdronken in de woelige wateren van het wereldwijde web, om vervolgens weer boven te komen drijven onder de vorm van (we)blogs.

U wilt uw frustratie delen? Uw ongetwijfeld verlichte ideeën en opinies openbaar maken (alles voor het algemene welzijn, nietwaar)? Uw talenten worden in deze wrede wereld onbegrijpelijk niet erkend? Goed nieuws als u zich hierin herkent! Sinds enkele jaren is er HET medium dat u toelaat om, in alle vrijheid (tenzij u het ongeluk hebt een Chinees met een mening te zijn) uw hersenspinsels te communiceren met allen die ze tot zich wil nemen: de blog.

Als men het fenomeen bloggen nader onder de loep neemt, rijst al snel de vraag welke meerwaarde die blogs nu eigenlijk met zich meedragen. Het gaat hier immers om een wereldwijd fenomeen, waar allerlei mensen – uit allerlei bevolkingslagen – zich aan wagen. De toegankelijkheid van het medium kan begrepen worden als een democratisering van informatieverstrekking- en verwerking, in de zin dat bloggen de mogelijkheid heeft geschept om de meest diverse en uiteenlopende thema’s en meningen tentoon te spreiden. Het traditionele gebrek aan regulering op het internet zorgt er echter voor dat er weinig tot geen filtermechanisme bestaat om uit de onoverzichtelijke overvloed aan informatie de echt relevante bijdragen te distilleren.
Dit is het klassieke argument dat wordt ingebracht tegen bloggen als relevant medium. Niettemin is het duidelijk dat bepaalde blogs als volwaardige nieuwsbronnen worden beschouwd en hun auteurs een zekere status en autoriteit verworven hebben, in welk thema dan ook (zo is de Perez Hilton blog de laatste jaren geëvolueerd naar “a force to be reckoned with” in de Amerikaanse glamourwereld).
Daarnaast luidt de vermelding van blogs in de traditionele media de fase in dat blogs geaccepteerd worden als een gerechtvaardigde bron van informatie.

Een term die dan ook dikwijls in de discussie rond blogs wordt aangevoerd is “burgerjournalistiek”. De verkleutering van de traditionele media indachtig, aangehaald door mijn collega Sam De Ryck, biedt de blog hier nieuwe, hoopgevende, perspectieven. Als blijkt dat duiding en gefundeerde opinie steeds minder aan bod komen in kranten en op de televisie, blijkt dat er hiervoor in de blogsfeer wel nog plaats is, al dan niet in een aanvullend karakter. Een goed voorbeeld zijn de bijdragen van Nobelprijswinnaar Thomas Friedman, die een prominente plaats innemen in het aanbod van de gereputeerde New York Times. Daarenboven maken blogs ook mogelijk dat er dieper kan worden ingegaan op meer gespecialiseerde thema’s, blogs worden dan ook meer en meer ingeschakeld in de ernstige en doorgaans meer conservatieve (academische) middens.

Dit heeft echter een schaduwkant. De verplaatsing van diepgaande informatie naar de blogsfeer resulteert immers in een steeds grotere afstand met het brede publiek, de nieuwsgierige mens moet heden zelf het initiatief nemen, de informatie komt niet meer naar hem toe. Een ander gevaar en logisch gevolg schuilt dan ook in de selectie van nieuws. Bij de huidige Amerikaanse presidentsverkiezingen is het bijvoorbeeld duidelijk geworden dat aan beide kanten van het spectrum, een aanzienlijk deel van de kiezers hun spreekwoordelijke mosterd overwegend halen bij media, traditioneel en blogs, die bij hun politieke overtuiging aansluiten. De andere kant komt simpelweg niet aan bod.

Een derde probleem is dat, indien het initiatief uitgaat van mondige individuen, men doorgaans het raden geeft op welke grond de persoon in kwestie een uitspraak doet. Achtergrond en expertise zijn immers een conditio sine qua non inzake kritische nieuwsvergaring.
Hier is dan ook een mogelijkheid weggelegd voor zij die beschikken over de nodige (onderbouwde) kennis, gekoppeld aan het vermogen tot kritische analyse. Hier komt de getrainde journalist duidelijk opnieuw in beeld. U weet wat u te doen staat: het onderscheiden van hoofd- en bijzaak is de kerntaak, relevantie de leidraad. Relevantie, zeg ik u!

Elisah Vandaele

København Kong

Kopenhagen, de Europese hoofdstad met procentueel gezien hoogstwaarschijnlijk wel het grootste aantal bloedmooie vrouwen. Het vergt immers uiterste concentratie en immense inspanningen om een lelijk exemplaar te lokaliseren. En wanneer u er dan toch in slaagt een trol te spotten is het dan waarschijnlijk nog een Britse toerist. Zo’n eilandbewoner die er door eeuwen inteelt uitziet als een ontbindende bonobo.

Mijn mannelijke reisgezel – die het van bij de aankomst al onmiddellijk als zijn opdracht beschouwde om van elk Deens poppetje een foto te nemen – werd helemaal gek van al die blonde haren en  lange benen, bij mij lokte het eerder wat jaloerse blikken uit.
“Danish chicks are gorgeous because the Vikings only fucked beautiful women”, maakte een lokale Deen me wijzer (of wijs) en ik besloot dat zijn argument op dat moment wel steek hield.

Van al dat vrouwelijk schoon snakte ik al snel naar een frisse pint. Gelukkig zijn de Denen ervaren bierdrinkers. Eenmaal in Kopenhagen wordt u dus hoogstwaarschijnlijk wel door één of andere Noorman uitgedaagd voor een bierspelletje of twee. Ik was u alvast voor en kan u enkel aanraden om gretig op zo’n voorstel in te gaan. Heavy drinking in Denmark is altijd een goed idee, op voorwaarde dat u zich in huiskamersferen bevindt, ver verwijderd van  bars en uitgangsbuurten. Al krijg je in een Deense pub wel altijd een halve liter bier als standaardpint voorgeschoteld, de prijs die je ervoor betaald – een euro of acht – werkt nogal ontnuchterend. Voor het uitgaan drinkt de gemiddelde Deen zich thuis en in gezelschap van vrienden eerst lazarus aan winkelprijzen, waarna hij op café – budgetgewijs verstandiger – cola drinkt.

Mocht uw portefuille toch bulken van het geld dan kunt u – ready to spend – terecht in Vega, het Scandinavische equivalent van de Gentse Overpoort, maar dan zonder de aanwezigheid van massaal veel pubers. Voor een cocktail ben je al snel een Belgisch dagloon kwijt en de anticlimax wordt nog groter eenmaal u uw lippen aan het brouwsel zet. Dan mag Carlsberg nog probably the best beer in the world zijn, van cocktails shaken hebben de Denen alvast geen kaas gegeten.

Eenmaal uitgefeest kunt u vermoedelijk te voet terug naar uw bestemming. Kopenhagen wordt door de Denen zelf ‘the smallest capital of the world’ genoemd, omdat je in principe – en als je even de tijd neemt – overal naartoe kunt wandelen. Tijdens zo’n wandeltochtje doet de stad je denken aan Gent en Amsterdam, met pittoreske waterkantjes en duizenden kasseien – waar de Deense schonen overigens moeiteloos overheen walsen.

Het Amsterdamgevoel wordt vervolledigd door het grote aantal fietsers, allemaal kleurrijk versierd met een blitse fietshelm. En hip dat zijn ze wel die Denen. Naast de gebruikelijke aanwezigheid van subculturen – zoals u hier ook regelmatig een goth, een emo of een verdwaalde punker tegen het lijf loopt, loopt de gemiddelde Deen er hip en trendy bij.

Maar onthoudt u vooral het volgende. Eens in Denemarken, do as the locals do, drink what the locals drink and eat what the locals eat. In tegenstelling tot het gebruikelijke sluikstorten in ons Belgenlandje gooit u uw afval en snoeppapiertjes daarginds best in de vuilnisbak of u krijgt het aan de stok met een lokale buurtagent of milieu-activist. Kleedt u op elk moment ook met oog op regen, want het Deense weer will screw you over in a second. Probeert u ook het typisch Deense roggebrood met makreelsalade en leverpaté. Ook al ziet het er niet erg appetijtelijk uit en walgt u na consumptie van uw eigen rotte adem, uw honger is alvast gestild. Als dit alles u nog niet bevalt, kunt u nog steeds de smeerlapperij doorspoelen met een frisste Tuborg-pilsner. Vergeet vooral ook niet om af en toe de Zweden uit te lachen, de Denen zullen u eeuwig dankbaar zijn. “Fucking Swedes”!

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.